Deze keer gaan we geen zwangerschapstest doen, nee: we gaan gewoon afwachten of mijn vriendin straks overtijd is. We hebben unaniem besloten: wij gaan hier relaxed mee om. Ik riep net nog tegen haar: ‘joh, als het gelukt is, is het gelukt; en zo niet, dan niet.’ En zij knikte: ‘zwanger, niet zwanger; het is wat het is!’ Geen test, gewoon afwachten. Niet zo gespannen mee omgaan, dat is véél beter. Dat pact hield ongeveer vier uur stand.
Theekopje
Nee joh, toch een test doen is geen zwaktebod. Tuurlijk niet. Het is gewoon handig om te weten. Het beantwoordt prangende vragen als: kunnen we op vakantie in de zomer? Gaan we de kroeg in dit weekend? Moeten er al luiers worden ingeslagen? Dus mijn vriendin hobbelde weer, gewapend met een theekopje en teststrip, richting het toilet. Leek mij een goed moment om meteen even de vakantieplannen te bespreken, maar dat ging niet door. ‘Niet kijken, dan kan ik me niet concentreren!’ Oké, oké. ‘Schiet op!’ ‘Jahaa!’
Driewerf nee
Ik had er best een positief gevoel over. Correctie: als het deze keer niet ging lukken, dan begon ik me zorgen te maken. Mijn vriendin haar leeftijd zorgt ervoor dat het gemiddeld een jaar duurt om zwanger te worden. Ken je dat gevoel van ‘ja, maar, maar, maar, dat gemiddelde geldt vast alleen voor anderen…’? Nou, dat had ik een beetje. Ik dacht: ‘driemaal is scheepsrecht’ en vond dat een betere leidraad dan statistische gegevens. Je gevoel zegt het. Je eigenwijze, nergens op gebaseerde gevoel, maar toch. En mijn vriendin heeft sappige eierstokken, dus kom op zeg! Mijn vriendin switcht dagelijks drie keer tussen ‘ja, volgens mij kan het wel eens goed zijn gegaan deze keer’ en ‘nee, ik denk niet dat het gelukt is.’ Vandaar die test dus.
Gedoe
Even later sta ik over een teststrip heen gebogen. ‘Hmm’, zeg ik.
‘Niks he?’ zegt m’n vriendin.
‘Nee, lijkt er niet op dat je zwanger bent.’ Ik houd de strip bij het raam in het daglicht. Nee, dat helpt. Onder de bureaulamp dan. Nul. ‘Het is niks hoor!’ roep ik concluderend naar mijn vriendin, die het al een beetje had opgegeven en ter afleiding andere dingen is gaan doen.
‘Ik had toch sappige eierstokken?’ zegt ze even later, ontevreden met de uitslag. Ik leuter wat over ‘volgende keer beter’ en ‘statistisch gezien duurt het een jaar he?’ en we gaan verder met de dag. Want nee, zo’n ramp is het nou ook weer niet.
’s Avonds tijdens het eten heb ik er toch de pest in. ‘Ik heb geen zin meer in dat gedoe volgende maand’, zeg ik. Ik ventileer nog even verder: ‘het is niet dat ik wil dat je nu zwanger bent, dat komt wel, maar het is gewoon zo’n gedoe!’ Ik denk na. ‘Een kind is ook gedoe, maar dan anders…’ Mijn vriendin knikt en beaamt: ‘gedoe is het ja.’
Die avond plannen we wat leuks voor het weekend (‘wat dan?’, ‘gewoon, wat leuks, zien we dan wel’) en gaan we verder met ons leven.
‘Volgende keer testen we niet hoor!’ roept mijn vriendin. ‘Is goed schatje.’






