Ik zat er al een beetje op te wachten: wanneer komt er dat moment dat de paniek begint toe te slaan? Dat je elkaar aankijkt en je afvraagt of dit nou allemaal zo’n goed idee was, een baby? Nou, dat is 2,5 week voor de uitgerekende datum. En dat was gisteravond, om 23:40. ‘Paniek? Hoezo?’ vroeg een collega de volgende dag. WE KRIJGEN EEN BABY! Daarom.
Horror in de duinen
En hoe voelt die paniek? Nou, laat ik een vergelijking maken. Ik ging eens met mijn schatje kamperen op Texel. Ja, kamperen ja. Of zoals een vriendin een keer zei: “Jij? Kamperen? Jezus, wat een dom idee”. Daar stonden we dan, tussen twee tochtige duinpannen, haringen in de grond te slaan, in de knoop met tentlijnen. Binnen een uur was ik koud, moe, chagrijnig en had ik mezelf al twee keer op m’n vinger geslagen met een stuk steen, want een hamer, die waren we natuurlijk vergeten. We bleken al snel alles te zijn vergeten wat ook maar enigszins handig is tijdens kamperen. En toen, hoe klassiek: een wolkbreuk. We renden door de gietende regen naar de auto, sloten onszelf op en keken door de voorruit naar buiten. Dikke regendruppels en een sneue natte tent waar we straks in moesten gaan slapen. We keken elkaar aan en dachten hetzelfde: kut, we móeten nog zeven dagen. Nou, dát gevoel van paniek, van ontreddering, dat maal 100. Dat hadden wij gisteravond. Kut. Er komt écht een baby. Binnenkort zijn we nooit meer gewoon alleen.
Vet janken
Het moment: Het was half één ’s nachts. Ik zat onder de douche (ja ik zit altijd onder de douche) en m’n vriendin zat op een keukenkrukje met wallen tot op haar sokken. Ik had 12 uur non-stop buiten de deur gewerkt en was (whoops) vergeten te eten die avond. Zij was al naar bed gegaan maar kon (verrassing!) helemaal niet slapen.
Zij brabbelde wat over moe zijn en het zo warm hebben in de slaapkamer; ik mompelde iets over ‘wat een dag’ en ‘morgen is het ook als zo druk’. Zij pruilde: ‘ik vind het nu wel heel zwaar hoor…’ en ik staarde naar de douchestraal en vroeg me hardop af hoe ik al dat werk in godsnaam ging combineren met een baby. En waar zij dan normaal zegt ‘dat zien we wel tegen die tijd’ en ík normaal zeg ‘dat is ook wel weer waar’… begon zij over dat ‘het’ over tweeëneenhalve week er dus gewoon kan zijn. En ik begon over dat we nooit meer samen op vakantie kunnen (de ‘oh schatje, túúrlijk wel’ bleef uit). Zij ging door over die bevalling en dat ze zo bang is soms, en ik zei niet ‘joh, dat kan jij best’, maar ‘ja en jij krijgt nóóit je oude lijf terug en dat vind ik zo erg!’
Zij moest huilen.
Ik nog harder.
En in bed gingen we nog even verder. Want ja, de sfeer zat er goed in.
Over dat we oud worden en wie het eerste dood gaat en dat ik echt eens zou moeten gaan sporten (‘anders ben ik straks nog op m’n zestigste dood!’ ‘Neee dat moet je niet zeggen!’). Zij schoot vol, en begon snikkend over dat ze anderhalve spatader heeft en ik staarde naar het plafond en murmelde huilend over dat het beeld van ons tweeën met een huilende kleuter op de camping in Texel. In de regen met een gasstelletje en een pak groentesoep (‘ik wíl helemaal niet naar de camping!’)
Alles kut.
Erg om gelachen.
De volgende dag, dat wel. En inmiddels hebben we er alweer zin in hoor… (niet in kamperen, maar in die kleine)







