Ze wil weer terug…

Dus. Jeetje. We hadden een tweede baby. Opeens. Nou ja, opeens… Negen maanden rondgelopen met m’n dikke babytoeter. En als lesbiennes kunnen we toch moeilijk hard maken dat het ongepland was. Maar wat vreemd is dat! De ene dag nog waggelend door de gang, de volgende gierend op bed en daarna: baby 2. Ik moest na de keizersnee in het ziekenhuis blijven. Daar lag ik, in zo’n wit bed met van die knoppen en van dat beddengoed dat je op 2000 graden kunt wassen. Het nieuwgeboren meiske had zich de eerste paar uur van haar leven opvallend koest gehouden, wat mijn vriendin en mij de kans gaf ongegeneerd naar haar te staren (en te fantaseren over haar karakter ‘oh ze is vast heel rustig!’ ‘misschien slaapt ze ook heel goed!’) Maar na een paar uur complete coma in haar bedje had ze het op een brullen gezet. En wat hielp? Tiet? Wiegen? Spaans praten? Nee. Dicht tegen je aan houden. Tot in den treuren.

Vastgeplakt

De rest van de ochtend speelden mijn vriendin en ik de grote ‘houd jij de baby even vast?’-show. Een superleuk spel wat we, op een paar uur slaap in 72 uur, de hele ochtend vol hielden, en geen seconde langer. ‘Geef haar maar hier’ werd ‘wil jij haar alsjeblieft éven…’ en eindigde na urenlang functioneel babyknuffelen in ‘schat, als je haar nu niet overpakt laat ik haar nog vallen…’ Ik kreeg kramp in mijn borstkas van het gewicht en mijn vriendin had lamme armen, en we moésten nu echt slapen.
‘Schat, ze slaapt nu, zullen we proberen haar in het bedje te leggen?’
Mijn vriendin kwam met moeite van de ziekenhuis-slaapbank die in de kamer stond en tilde het meisje op. Heel, héél voorzichtig legde ze het in het bedje.
En toen was het… stil (Haaaalelujah). Oh, hoe magisch. Mijn vriendin en ik keken elkaar aan alsof we een eenhoorn hadden gevonden. Duimen omhoog, high fiven, maar dan heel stilletjes.
‘Ik ga proberen te slapen’, fluisterde mijn vriendin, en zwalkte slaapdronken naar de bank.
‘Succes.’
‘Dankje.’

Luchtalarm

‘WAAAAAAAAH!’ Helaas. Wakker. Het was nog geen 10 minuten stil geweest. Ik draaide mijn hoofd opzij en zag in het aquarium-wiegje twee grote donkere ogen, wijd open. Door de operatie kon ik niet op mijn zij liggen of zelf omhoog komen, laat staan een hele boze baby uit de wieg tillen. Ze snijden je buikspieren door, dus je wordt een beetje zielig, fysiek-technisch gezien. Hier heb je dus een partner voor.
‘Schat?’
Geen antwoord.
‘Schahaaat?” Ik tilde mijn hoofd op, keek over mijn voeteneind en moest constateren dat mijn vriendin óf lag te slapen, óf dood was. Nul reactie. Ondertussen was onze nieuwe baby de tent bij elkaar aan het gillen op zo’n volume dat ik bang was dat ze er in zou blijven. Op mijn rug, met mijn linkerarm uit gestoken en hand in de wieg bungelend, probeerde ik het frummeltje tot slapen te bewegen. Ik aaide haar onhandig over haar hoofdje (‘Dat was je oog! Sorry schatje!’) en mompelde ‘ga nou slaaahpuh’. Het haalde niks uit. Het was zover: Ik drukte op de rode ‘help-me!’ knop voor professionele versterking.
Even later ging het gordijntje opzij, ‘je had gebeld?’ gevolgd door een overbodige ‘zo, is de kleine wakker?’

Levend matras

De verpleegster keek geamuseerd naar de spartelende, diep-ongelukkige baby.
‘Ze wil niet slapen he?’ zei ze, ‘Zal ik haar even op je borst leggen? Dat vinden ze lekker’. Ja, vertel mij wat. De handen gingen al de wieg in en de baby werd opgevist. Ben ik een slechte moeder als ik toen dacht ‘alsjeblieft nou even niet’ Anyway, ik had er niks over te zeggen. De friemelende wurm ging hoppa, bovenop me, maakte het zichzelf na-snikkend comfortabel en viel pats-boem in slaap met haar warme kleine adem in mijn nek (vies als grote mensen het doen; bij baby’s, walgelijk superschattig).
De verpleegster trok de lakens wat verder over ons heen.
‘Ze wil maar niet in haar bed slapen,’ zei ik verontschuldigend, het hobbeltje baby bovenop me aaiend, ‘als je haar er slapend in neerlegt is ze binnen een minuut wakker.’
‘Oh, die mist de baarmoeder’, zei ze, heel blasé.
‘Pardon?’
‘De baarmoeder. Mist ze. In welk been zit je morfine-ventiel?’
Mijn wat? Ik begon me af te vragen of het gebrek aan slaap ging zorgen dat ik dingen verkeerd begreep.
‘Ze hebben toch wel een flexibele naald in je been ingebracht? Voor de morfine?’
Ik had geen naald in mijn been. Ik had blijkbaar een dochter met verlatingsangst. Konden we het daar even over hebben? Het was niet alsof ik haar terug kon stoppen. En mijn vriendin lag trouwens gewoon door dit alles heen te slapen he? Lekker ding.

Appelsap

De verpleegster trok het laken op mijn benen een stukje omhoog, ‘ah daar is ‘ie’ en verdomd, daar op mijn linkerbovenbeen: Een rode sticker, een naald mijn been in en een dopje erop. Had er al die tijd gezeten. Niets gezien, niets gevoeld. Wat de F.
‘Gelukkig maar,’ zei ze opgelucht, ‘zo vervelend als ze die vergeten, moeten we elke keer prikken!’
Ze spoot mijn been vol, deed het dopje weer dicht (das praktisch, moet ik ze meegeven) en keek ook nog even onder het bed. ‘Nou, die kathederzak kan nog wel even mee.’ Aha, daarom hoefde ik niet te plassen. Ik vroeg het me al af. Ik had een piszak aan m’n lijf. 

Ik had een nieuwe baby in mijn armen die de baarmoeder miste en ik lag al uren met een morfine-ventiel in mijn been en er zat een katheder in m’n plasbuis.
‘Wil je nog wat drinken?’ vroeg de verpleegster vrolijk, ‘je moet goed drinken hoor!’
Kreeg ik bonuspunten voor een volle zak ofzo?
‘Doe maar… appelsap?’ SINDS WANNEER HAD IK TREK IN APPELSAP??
Het was een hele, hele rare dag. Op mijn borst knorde het donkerharige baby’tje dat niet alleen wilde liggen, heel tevreden.

 

Je kan je abonneren, jawel! Let op: mailprogramma’s gooien deze hoogstaande lectuur nog wel eens in je spambox. Dus check die even, want misschien staat deze superleuke blog wel tussen een reclame voor nagelschimmel en penisverlengers in.


 

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: