bevallen blog

De bevalling, deel 1

Ik weet nog dat ik mijn vriendin vaak vroeg te kiezen uit twee situaties, om een beeld te krijgen van hoeveel pijn bevallen doet. Dan vroeg ik ‘wat is erger: dat er een auto heel langzaam achteruit inparkeert op je benen, of bevallen?’ En dan antwoorde ze ‘dat is geen goede vergelijking, want bevallen duurt véél langer.’ Dus ja, dit werd naar. Ik wist het al. Als lesbiennes hebben we te maken met de situatie dat we allebei een kind konden, en hebben, gebaard. Dus mijn voorpret begon al bij haar zwangerschap, en was compleet tijdens haar bevalling. Een groter ‘oh fuuuuck’-gevoel heeft niemand gehad die dag, of dat jaar waarschijnlijk. Wat ik toen al vermoedde, en wat ik nu weet: bevallen is ongelooflijk kut. Chapeau voor mij en naar de hel met het lot van vrouwen, we zijn mooi in de aap gelogeerd met onze vagina’s.

Snot en tranen

Ik zal beginnen met het belangrijke deel: we hebben er een fantastische kleine meid bij. Ze is gezond, heeft grote donkerblauwe ogen die – och wat zonde – de komende maanden zullen veranderen in iets gangbaar Hollands als slootbruin of stoeptegel-grijs. Een enorme bos donkerbruin haar (cuuuuute). Mijn vriendin en ik hangen ’s avonds als hormonale snotlawines boven haar, jankend dat ze zo prachtig is. Het is een ranzig, pathetisch geheel; wees maar blij dat je er niet naast hoeft te zitten. Dit hebben jouw ouders ook bij jou gedaan, kun je het je voorstellen?

Maar goed, die bevalling. Ik dacht dat de red wedding-scène gruwelijk was; dat begon tenminste nog gezellig. Je voelt het al: dit wordt weer een verhaal van meerdere delen, want delen is helen. En voor iedereen die nu denkt ‘ik heb niks met bevallingsverhalen’. Zitten en lezen. Want het is niet veel anders dan tegen iemand die net is aangereden door een vrachtwagen zeggen ‘oh, kun je even fast-forward naar toen ze je ontsloegen uit het ziekenhuis? Ik houd niet zo van verkeersongeluk-verhalen’.
Daar gaan we. En je gaat een hoop opsteken! Dat is pas goed voor je borrelpraat met die collega die net een kind heeft gehad. Kun je opmerkingen maken die zinniger zijn dan ‘nou, geniet er maar van he?’ of ‘maar je krijgt er toch een hoop leuks voor terug’.

Lekke zak

Je moet weten dat het filmische beeld van de brekende vliezen, zes liter vruchtwater over de vloer van het sjieke restaurant en dan tatuu-tatuu-twee-uur-later-een-baby-cliché zoveel met de realiteit van doen heeft als Kirk Douglas’ Spartacus met de oude Romeinen. Gebroken vliezen kunnen voorkomen, maar het betreft vaak ook een simpel scheurtje in je waterzak, geen springvloed. Maar zo’n tien procent van de bevallingen begint met gebroken vliezen, dus het is ook nog eens niet heel gangbaar (dus als je op de borrel iemand treft die zegt dat de vliezen waren gebroken zeg je niet ‘oh, oke’, maar ‘oh wow! Dat hoor je niet vaak!’ en dan krijg je punten). Vanwege infectiegevaar (gaatje in je steriele babybel) moet de baby er wel binnen 48 uur uit, goed- of kwaadschiks. Ik dacht altijd dat al je vruchtwater er dan uitgelopen zou zijn en de baby in een droge zak zou verpieteren, maar dat klopt niet helemaal. Vruchtwater wordt gewoon aangevuld door je lijf.
Dus het nadeel van vliezen breken is dat je vruchtwater lekt (niet leuk op je nieuwe bank); het voordeel is dat je weet dat er binnen twee dagen een baby gaat zijn. Plus: de weeën komen in de regel ook opzetten als de boel lek is gegaan. Kortom, het gaat van start.
En inderdaad: zondagavond was ik in bed gaan liggen en ik begon te lekken als een oude thermosfles. Onze andere dochter was die nacht aan het logeren. ‘Goede timing schat’, zei m’n vriendin, die een stapel handdoeken uit de badkamer had gehaald, ‘voel je al iets?’ Een kwartiertje later heb ik m’n eerste bescheiden – blijkt later – wee. Kramp van het kaliber flinke ongesteldheid. Voor de heren: dat voelt zo ongeveer alsof iemand een lepel chili via je rectum, recht je ingewanden in heeft geduwd.

Het plafond

Daar lig je dan, met z’n tweeën in het donker. Ik iedere zes tot acht minuten in een stuip. Dan denk je misschien ‘oeh, wat een avontuur!’ maar dat is niet zo. Een verloskundige – die je in theorie zou kunnen bellen – zet er haar Netflix niet voor uit. Iedere vier minuten een wee: dan begint het pas interessant te worden. Als je voor die tijd in paniek opbelt dat ‘het’ begonnen is toon je jezelf een enorme beval-amateur. En ik ben beter dan dat.
Dus ik en m’n laffe spek-en-bonen-weeën gingen vruchtwater-lekkend op drie lagen oude handdoeken liggen in bed. Mijn pufcursus-docent, die ik had gevraagd of paracetamol een goed idee was tijdens de eerste, nietszeggende weeën, had gezegd dat ik pijnbestrijding beter kon vermijden. ‘Je moet het ook tóélaten’. Dikke neus. Mijn verloskundige adviseerde me om er meteen twee in te nemen. ‘En probeer dan nog even te slapen’. Deal.
Dus twee pillen erin en plat. Ik nam me voor het maar te zien als ongesteld zijn. Gewoon vervelend. Bij mijn vriendin had dit weeën-stadium drie dagen geduurd, dus ik wist wel beter. Binnen 48 uur een kind erbij. Prima, ik was toch al goed klaar met dat hele zwanger zijn.
‘Spannend he?’ zei m’n vriendin om half elf, twaalf uur, half een, half twee, drie uur en half vier. ‘Uh-huh’ mompelde ik. Ik probéérde te slapen. Wat niet lukte, tot ergens na vier uur ’s ochtends.

 

Dit was deel 1! En het wordt nog zoveel spannender, met bloed en braken en och man, je gaat zo blij zijn dat jij dat weekend gewoon op de bank hing met je bakje muesli. Hier deel 2. En ben je al abonnee? Kun je worden.

 


4 Comments

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: